Eveline de Kock, landschapsarchitect:

Het is tijd voor nieuwe relaties

Landschapsarchitecten werken in hun ontwerpproces vooral met de fysieke ruimte. Maar landschapsarchitect Eveline de Kock inspireert mensen om daarnaast ook andere ruimtes op te zoeken, zoals een morele en mystieke ruimte. Ze stelt: de systeemveranderingen die we buiten willen zien, zullen eerst in onszelf onderzocht moeten worden. In dit interview spreek ik met haar over een complex transitieproces in het midden van het land, over het wezen van de aarde en het hoopvolle principe van viriditas.

Tekst en beeld: Angela Stoof
Dit interview is opgenomen in mijn
boek: 'Perspectief: Hoop houden en verschil maken in een wereld vol verandering'  (2024)


Eveline is als landschapsarchitect betrokken bij één van de meest complexe transities van onze tijd: de integrale ruimte-, voedsel- en landbouwtransitie. Ze is procesregisseur bij een transitieproces van een groot landelijk gebied, in het midden van Nederland. Eveline: “Het is een enorm interessant landschap. Het valt in acht gemeenten en twee provincies; we hebben te maken met een waterschap, allerlei agrarische sectoren, natuurorganisaties en onderwijsinstellingen als de Wageningen Universiteit. Mijn rol is om een regionaal perspectief voor het landelijk gebied te helpen opstellen. En om dat zodanig te doen dat het bodem-watersysteem, biodiversiteit en voedselproductie in samenhang verder kunnen komen. Wat is daarvoor nodig op een volhoudbare manier, een manier die dus duurzaam of zelfs regeneratief is?”

 

Systeemverandering

Ze vertelt dat er in het project regelmatig over systeemverandering gesproken wordt. “Het gaat dan bijvoorbeeld over het voedselsysteem en over dierlijke of plantaardige eiwitten. Maar het gaat ook over de vraag waar we nu zijn, hoe dat zo gekomen is, welke vanzelfsprekendheden daarin zitten, en of die vanzelfsprekendheden nog wel gezond zijn gezien de opgave die we nu hebben. Hier zit een spanning in. Aan de ene kant is er een soort opgejaagdheid: we moeten weg uit de situatie waarin we nu zitten, waarin de dingen niet meer houdbaar zijn. Maar aan de andere kant is het belangrijk om de voorwaarden te scheppen voor het proces.”

Eveline’s rol is vooral om die voorwaarden te scheppen. “Ik ben faciliterend bezig. Ik stel bijvoorbeeld vragen die nog niet eerder zijn gesteld. De systeemveranderingen die we buiten willen zien, zullen eerst in onszelf onderzocht moeten worden. Die moeten we in onszelf ruimte geven. Hierbij gaat het bijvoorbeeld over onze relatie tot voeding, dieren, de natuur. Wat is de natuur? Die hebben we planologisch, functioneel toegekend en op kaarten begrensd. Er zijn eigenaars. Maar kúnnen we de natuur eigenlijk bezitten, als ze overal is? Hierbij raak je aan de grondhouding van de mens. De filosoof en ecoloog Matthijs Schouten zegt dat er verschillende grondhoudingen zijn van de mens ten opzichte van de aarde. In het westen zijn we, onder invloed van het christendom, onszelf gaan zien als heersers van de natuur. Maar in bijvoorbeeld inheemse culturen is de mens veel meer een participant, waarbij je als deel van de natuur een leven hebt. Die omslag zie ik wel gebeuren.”

Eveline ziet dat de vanzelfsprekendheid van die westerse grondhouding gaat wankelen. Mensen stellen vragen en daardoor komt er ruimte. Die ruimte is belangrijk, vertelt ze, omdat we moeten leren om de dingen die we ooit uit elkaar hebben gehaald weer met elkaar te verbinden. “Een gezond bodem-watersysteem, een gezonde biodiversiteit, gezond voedsel - dat is allemaal één. We hebben elkaar nodig. In de natuur is er geen afgescheidenheid van dingen. Dat hebben wij gecreëerd en het heeft ons ver gebracht. Maar er moet steeds meer moeite in gestopt worden om het vol te houden. Heel veel energie en landbewerking. Daar is nu een omslag gaande. Het is tijd voor nieuwe relaties.”

 

Ode aan de ruimte

Het begrip ‘ruimte’ staat centraal in de manier waarop Eveline denkt en werkt. In 2021 heeft ze de Ode aan de ruimte geschreven; een tekst die gepubliceerd is in De Blauwe Kamer, een tijdschrift voor landschapsarchitectuur en stedenbouw. De Ode opent met de volgende woorden: “Ik heb je omarmd, gekoesterd, getekend, gebouwd. [...] Ik heb je gehoord en in stilte gezocht, bewonderd en mystiek ervaren. Nu schets ik met woorden je contouren.”

In de Ode onderscheidt ze zes soorten ruimte: de fysieke, kaderende, mentale, morele en mystieke ruimte en de ruimte voor de tijd. 

Ik vraag aan haar hoe ze zich bewust werd van het bestaan van meerdere ruimtes. Eveline: “De fysieke ruimte is het meest pregnant voor landschapsarchitecten. We werken bijvoorbeeld vaak met het lagenmodel, waarin bodem en water voorwaardenscheppend zijn voor het type biodiversiteit. Daar overheen ligt een netwerklaag van infrastructuur en landgebruik, en een occupatielaag van dorpen. Zo zijn er, door die lagen heen, altijd relaties te leggen in verticale zin. Dat is, als ontwerper, je basispalet. Maar het begon me steeds meer op te vallen dat de mens als denker buiten beschouwing wordt gelaten. Hierbij gaat het bijvoorbeeld over de mentale ruimte: welke concepten, vooronderstellingen heb ik in mij? Maar ook: welke ambities, dromen, zorgen? Dat is ook een ruimte. Hoe creatief zijn we? Willen we doen wat we zeker weten, wat altijd gewerkt heeft? Of willen we juist iets doen wat we nog nooit gedaan hebben maar misschien wel geprobeerd kan gaan worden? Dat gaat over verbeeldingskracht. Dat is een ruimte die nog geschapen moet worden, en daar kunnen landschapsarchitecten een grote rol in spelen.”


Mystieke ruimte

Het fascineert me dat een landschapsarchitect spreekt over een mystieke ruimte. Ze vertelt dat deze vooral in haarzelf zit. “Ik noem het woord niet in projecten, ik zie dat nu nog niet als behulpzaam in de dialoog. Maar ik ervaar hem zelf wel heel erg, in die zin dat ik mij dienstbaar wil opstellen ten aanzien van het grotere geheel. Ik moet denken aan dat gedicht van Martin Buber: Bij zichzelf beginnen, maar niet bij zichzelf eindigen / Van zichzelf uitgaan, maar niet naar zichzelf toe streven. Het gaat over bewustzijn van het wonder van het leven, waarin ik dagelijks opsta. De verwondering daarin. En dat ik binnen die verwondering van betekenis wil zijn voor de omgeving. Daarom werk ik met mijn bedrijf 1 dag per week in het klooster: de plek helpt mij om dienstbaar te zijn aan iets dat groter is dan mijzelf.”

In haar rol als procesregisseur merkt ze dat ze regelmatig die mystieke ruimte opzoekt. Ze vraagt zich dan af: kan ik voelen dat we met elkaar de goede dingen aan het doen zijn? Enerzijds denkt ze dat we niet kúnnen weten of we het goede doen. Tegelijkertijd lijkt er iets te zijn dat haar helpt zich te oriënteren. Ze moet even zoeken naar wat er dan precies in haar gebeurt. “Het is misschien een naar binnen gaan, een afdalen. De aarde in, daar waar het leven ontstaat. Misschien is dat het wel.”

Ik vraag aan haar of ze op zo’n moment ergens verbinding mee maakt. “Ja, dat denk ik wel. Ik voel me sowieso enorm in verbinding staan met de aarde. Ik loop regelmatig op blote voeten in het bos, dan kom ik als een ander mens weer thuis. De aarde ervaar ik echt als een wezen. Misschien is dat wel een stuk mystiek dat ik niet verder hoeft te duiden of te onderzoeken. Dat gevoel is al genoeg. Ik kan in mijn achtertuin ook heel moeilijk interventies plegen, zoals ‘onkruid’ weghalen. Ik voel heel sterk: wie ben ik om te bepalen dat ik jou daar niet wil? Jíj komt hier!” Lachend: “In mijn tuin ligt ook ergens een pad, maar dat is helemaal overwoekerd. Het bloeit prachtig in de zomer en daar komt veel vliegend spul op af. Ik voel me steeds meer ondergeschikt worden aan die enorme aarde. Ik denk ook dat daaruit een stuk dienstbaarheid voortkomt.”

Morele verantwoordelijkheid

Ze is dus niet slechts dienstbaar aan het proces van de mensen die bij het project betrokken zijn; ze is uiteindelijk dienstbaar aan de aarde. Eveline: “Die samenwerking met de natuurlijke processen, de aarde, bodem, water, al die relaties die er zijn... Dat is een soort magie, daar zit een eeuwige verwondering in voor mij. Misschien is dat wel een drijfveer, omdat ik de aarde echt ervaar als een levend wezen dat ik niet begrijp. Dat kan me zo ontroeren. Het is zo stil nu buiten. De aarde trekt niet continu de aandacht, maar is er wel. Tegelijkertijd voel ik een stuk verantwoordelijkheid, omdat wij als ontwerpers grote invloed hebben. Dat is een morele verantwoordelijkheid, ja. De morele ruimte zit ook in de Ode: doen we de goede dingen?”

In die morele ruimte kan het ook schuren, bijvoorbeeld wanneer gesprekspartners dingen zeggen of doen die ingaan tegen haar gevoel voor het goede. Hoe gaat ze daarmee om? Eveline: “Het hangt af van de situatie en het moment of ik daarin iets te doen heb. Vaak passen die uitspraken bij het systeem waarin we nu zitten. Het schuurt omdat we in die verandering zitten, omdat we vanzelfsprekendheden aan het betwijfelen zijn. Ik heb geleerd dat het een goed teken is als het gaat schuren: daar gaat iets verschuiven. Wat dat betreft ben ik de afgelopen jaren enorm veranderd. Vijf jaar geleden zou ik dit project niet hebben gedaan. Het voelt alsof ik mezelf nu als geheel kan aanwenden in het werk. Dat zijn mijn zorgen, maar ook mijn dromen, wensen, intuïtie, gevoel; mijn ervaringen in projecten, het vak van de landschapsarchitect, het filosofische, en ook het zakelijke en commerciële. In al die dingen beseffen waarin dat dienstbaar is.” 

Een belangrijke impuls hierbij was haar oude werksituatie. Eerder werkte ze bij een middelgroot ingenieursbureau, maar daar ervaarde ze niet het soort ruimte waarin ze goed gedijt. “Daar lag al best veel vast als het gaat over hoeveel tijd ik ergens aan kon besteden. Maar er is ook incubatietijd. En er zijn creatieve processen die je van tevoren niet altijd kunt voorspellen. Ik voelde geen vrijheid om daar op een natuurlijke manier in te bewegen. Dan zit je op een gegeven moment in een omgeving waarin je je steeds meer afgezonderd voelt, niet meer deel bent van de organisatie. Dan voel je aan alles: er zitten andere dingen in mij die ik wil zijn, die ik wil doen. Dat was een soort schreeuw naar buiten. Ik wist: ik ga niet bij een andere organisatie werken. Ik wil op eigen benen onderzoeken wat ik voor elkaar krijg. Ik wilde rust en ruimte winnen, om te lezen, mijmeren, dingen te bedenken maar ook gezegd te laten worden in mijzelf. Het ging over verbinding maken met mijzelf.”

 

Viriditas

De middeleeuwse mystica Hildegard von Bingen is een belangrijke inspiratiebron voor Eveline. Als ik haar naar Hildegard vraag, gaat haar gezicht stralen. “Hildegard, dat vind ik zo’n stoer wijf! Als vrouw, non, in die tijd… Ze stichtte zelf een klooster. Ze creëerde woorden, zoals viriditas. Dat is de groenkracht van binnenuit, het vermogen van ieder levend wezen om van binnenuit te vernieuwen. Ik vind dat zo’n hoopvol verhaal! Dus in alle chaos, onrust, onzekerheid en pijn heeft ieder levend wezen het vermogen om van binnenuit te vernieuwen. Viriditas kan daarbij een tegenwicht zijn voor het appel om je te gedragen zoals het hoort. Hildegard ging door de bestaande orde heen. Ooit kwam er een ridder bij haar klooster die geëxcommuniceerd was. Zij begroef hem na zijn dood in gewijde grond, omdat hij een medemens was. Dat was not done in die tijd. Ze kreeg toen van hogerhand opgelegd dat ze niet meer mocht zingen. Hildegard, die zoveel liederen had gemaakt! En toch deed ze dit. Ze was van zichzelf. Dát is leiderschap.”

Voor haar heeft viriditas alles te maken met de huidige maatschappelijke transities. Ze verbindt het met drijfveren achter transitieprocessen. “Je kunt die transities vergelijken met pelgrimeren. Zijn wij in die transities ergens vandaan aan het gaan, omdat we iets niet meer willen? Is dat onze motivatie? En/of zijn we ergens naar onderweg? Weten of voelen we diep van binnen dat er hoop en perspectief is, ook al hebben we die misschien nog niet helemaal te pakken met elkaar?”

Ze vertelt dat we vooral moeten leren om onderweg te zijn – samen. “Natuurlijk hebben we die visitekaartjes, rollen en verantwoordelijkheden. Maar we hebben elkaar ook te ontmoeten achter die façade. Om van mens tot mens verbinding te maken. Hierbij gaat het over zingeving die niet te maken heeft met ‘ik’ maar met ‘de dienstbare ik’: de ik in de wereld of in het leven; of de ik en de ander. Dan gaat het dus over plaats nemen in het grotere geheel, zonder helemaal te kunnen of willen begrijpen wat dat grotere geheel dan is. Sommigen noemen dat grotere geheel de aarde; een ander heeft het over de Ene of de bron. Dat is dan weer taal. Als we daarvan de daken en deuren opengooien, dan word ik muisstil. Dan zeg ik niks meer. Dan is er alleen nog maar ontroering, denk ik. Verwondering en liefde.”

Paspoort

Eveline de Kock (1980) is landschapsarchitect en sinds 2018 zzp’er bij haar eigen bedrijf Ruimte Atelier. Ze heeft landschapsarchitectuur gestudeerd aan de Universiteit van Wageningen en architectonische vormgeving aan ArtEZ. Ze werkt 1 dag per week met haar bedrijf in het Dominicanenklooster Huissen. Nu en dan geeft ze daar ook retraites voor vakgenoten: de Ode aan de ruimte-retraite.

 

Meer informatie:

www.ruimteatelier.nl

www.odeaanderuimte.nl